Één van de belangrijkste feiten die Armeense aktivisten en hun vrienden vaak achterhouden wanneer ze over de zogenaamde ´genocide´ praten is dat Armeneense terroristische organisaties en militaire eenheden reeds de oorlog verklaarden aan de Ottomaanse Overheid in de 19e eeuw. Lang voordat de Ottomaanse overheid besloot om de Armenen van Oost Anatolië (het Turkse hartland) te deporteren waren Armenen al druk bezig om de regio’s waar zij redelijk grote minderheden waren ethnisch te zuiveren en voor zichzelf op te eisen.
Een belangrijk voorbeeld van Armeens terrorisme en militaire akties tegen Moslimse Turken is de Rebellie in de stad Van van 1896.
Armenen hadden verschillende organisaties opgericht, zoals de Hunchaks and Dashnaks (in een ander artikel volgt meer specifieke informatie over deze organisaties) die zichzelf tot doel hadden gesteld om door middel van terrorisme zoveel chaos en verlies van leven te veroorzaken dat de Ottomaanse overheid wel gedwongen werd om militair in te grijpen. Op het moment dat de Ottomanen troepen zouden sturen, zouden de Armenen vervolgens tegen het Westen klagen over die ‘barbaarse Turken’ die ‘zomaar’ begonnen Armenen af te slachten. Wetende dat het Westen en Rusland volgaarne het Ottomaanse Rijk tussen henzelf wilden verdelen dachten de Armenen dat deze ‘grote machten’ vervolgens wel militair zouden ingrijpen waarop zij, de Armenen, vervolgens hun eigen natie-staat zouden kunnen oprichten.
Dit was het plan, en Armeense nationalisten deden hun best om hun droom te verwezenlijken. Zij kochten en kregen wapens van de ‘grote machten,’ met name van Rusland, en begonnen Turkse Moslims op een grote schaal af te slachten. Duizenden, tien duizenden zelfs, onschuldige Turken verloren hun leven voordat de overheid het bevel in 1915 gaf om de Armenen te deporteren of herplaatsen naar Syrië.
En toen, in 1896, besloten de Armeense terroristen om de stad Van over te nemen en ethnisch te zuiveren. Zij hoopten dat de Ottomanen en Turken (en Koerden) dan vervolgens wraak zouden nemen, wat vele Armeense levens zou kosten. Vervolgens kon het Westen, zo dachten de Armenen, ingeschakeld worden.
Het begon allemaal als volgt: De Britse Consul Williams zei hierover dat de Dashnaks “hun landgenoten terroriseren, en door hun wandaden de Mohammedaanse populatie” proberen te forceren om Armenen aan te vallen (^ The Armenian Rebellion at Van door Justin McCarthy (2006), p. 65).
De Dashnaks, of Armeense Revolutionaire Federatie, produceerde pamfletten welke in Van verspreid werden.
Er kan geen sprake van goedmaken zijn; we zullen onze wapens niet neerleggen. We hebben een heilige oorlog, en het zal met grotere barbaarsheid worden voortgezet. Laat daarom de commissie [de Ottomaanse overheid probeerde op vreedzame wijze een einde te maken aan de radicalisering van Armenen] van de tiran naar de hel lopen. Wij zijn revolutionairen, en dit is ons laatste woord.
De dood of Vrijheid!
Lang leve het Armeense volk!
Lang leve de revolutie! (The Armenian Rebellion at Van door Justin McCarthy (2006), p. 65-67)
De situatie liep dermate uit de hand met de radicalisering van Armenen dat de gouverneur van Van (Sadettin Pasha) schreef naar de centrale overheid dat “alle Armenen in de stad bewapend zijn, en zij verstoppen wapens.”
En toen, op 3 Juni 1986, begon de Rebellie van Van. De Armeense terroristen (of seperatisten) wilden de stad overnemen om vervolgens te wachten op versterkingen die vanuit Persië (Iran) zouden komen. Deze troepen zouden de Armenen in staat stellen om het Ottomaanse leger op afstand te houden totdat, zo dachten de Dashnaks, Russische troepen zouden arriveren; zij twijfelden er geen moment aan dat de Russen zouden komen omdat beide volkeren Christenen waren.
In de nacht van 2 op 3 Juni begonnen Armeense rebellen op Ottomaanse soldaten te schieten. Rapporten en andere documenten hebben vele experts de idee gegeven dat de Armenen hun Europese en Russische vrienden vantevoren reeds op de hoogte gebracht hadden van de ophanden zijnde rebellie.
Op het moment dat Koerdische stammen hoorden dat soldaten door de Armenen waren vermoord vroegen zij de gouverneur toestemming om tegen de Armenen te vechten. Daar hij begreep dat dit precies was wat de Armenen en de ‘grote machten’ wilden beval hij de Koerden rustig te blijven en verbood hij ze de wapens tegen de Armenen op te nemen. Dit terwijl de Armenen op dat moment bezig waren een Ottomaanse stad in handen te krijgen en de oorlog hadden verklaard aan hun eigen, legitieme overheid.
Sadettin Pasha was een voorzichtig man en weigerde om zijn troepen te bevelen om de stad met groot vertoon van kracht in te nemen. Zo’n aanpak zou, zo vreesde hij, resulteren in de dood van veel onschuldige burgers. In plaats van een directe en aggressieve aanpak koos deze gouverneur ervoor om met de Armenen te praten en hun een vredesaanbod te doen, en Europe afgevaardigden werden uitgenodigd om naar Van te komen zodat ze met hun eigen ogen konden zien hoe het er in Van aan toe ging. Dat laatste was van het grootste belang omdat Armenen wilde verhalen verzonnen over misdaden en slachtingen begaan door Turken, en deze verhalen vervolgens naar Europe verspreidden.
Hoewel de Armenen niet van plan waren om het vredesaanbod van de gouverneur aan te nemen, en de gouverneur het rustig aanpakte, kwamen de eersten al snel tot de conclusie dat ze deze strijd niet konden winnen. Dit gevoel werd met name versterkt door het nieuws dat de Armeense rebellen die vanuit Iran zouden moeten komen niet naar Van konden.
Langzaam maar zeker kwam het Ottomaanse leger intussen dichterbij. Belangrijke gebouwen werden door hen veroverd. Wetende dat het een verloren zaak voor hen was, verlieten de Armeense Dashnaks langzaam maar zeker de stad. Zij vluchtten van Van naar Iran en / of Rusland. Tijdens hun vlucht vielen zij kleine Moslim dorpen aan.
Nadat alle rebellen vertrokken waren meldden zowel Gouverneur Sadettin Pasha en Britse Consul Williams dat 340 Moslims (Turken en Koerden) en 219 Armenen waren gestorven (The Armenian Rebellion at Van door Justin McCarthy (2006), p. 67).
Deze rebellie is belangrijk omdat het aantoont dat de Armenen reeds ver voor de Eerste Wereldoorlog en dus ver voor de deportaties of zogenaamde genocide die plaatsvond in 1915. De Armeense rebellie van 1896 toont aan dat Armenen niet onschuldige slachtoffers waren maar druk bezig waren het Ottomaanse Rijk te vernietigen, met de hulp van de ‘grote machten.’ Tevens weerspreekt deze rebellie Armeense nationalisten wanneer zij zeggen dat Armenen geen wapens hadden om tegen de Turken (of Ottomanen) te vechten.
Vele malen dank verschuldigd aan Jonathan Wilson, editor-in-chief van onze Amerikaanse broer, Armenian Genocide.com.